Understand spoken Dutch

English-Dutch Dictionary - A

0 (1) 1 (8) 2 (4) 3 (1) 4 (1) A (1816) B (694) C (1172) D (817) E (502) F (660) G (404) H (998) I (1701) J (119) K (76) L (480) M (672) N (341) O (377) P (845) Q (32) R (512) S (1688) T (6716) U (153) V (123) W (1095) X (4) Y (338) Z (14)
English Dutch Recording Learn
a nice sweater een mooie trui
a night in jail een nacht in de cel
a night shop een nachtwinkel
a non-governmental organisation een niet-gouvernementele organisatie
a notice een mededeling
a number of battle states een aantal strijdstaten
A number of Brussels taxi associations today left the Brussels inner ring paralysed. Een aantal Brusselse taxi verenigingen leggen vandaag de Brusselse kleine ring lam.
a number of conditions een aantal voorwaarden
a number of sanctions een aantal sancties
a nun een non
a nurse verpleegkundige
a nutshell een notendop
A one-way ticket, please. Enkele reis, graag.
a package een pakket
a page een pagina
a parent een ouder
A parked car was blocking my driveway. Een geparkeerde auto versperde mijn oprit.
a parking een parkeergelegenheid
a particular neighbourhood een bepaalde wijk
a patient een patiënt
a paw een poot
a pear een peer
a pebble een steentje
a pepper een peper
a person of flesh and blood een mens van vlees en bloed
a personality een persoonlijkheid
a pharaoh een farao
a pharmacist een apotheker
a pharmacy een apotheek
a phoenix een feniks
a piece of cake een fluitje van een cent
a piece of chalk een stukje krijt
a piercing scream een doordringende gil
a pig een varken
A pile-up happened during rush hour. Een kettingbotsing gebeurde tijdens de spits.
a pineapple een ananas